Stadsecologie --- Meer tekst
Bomen hebben een sterke invloed op het stadsklimaat en de kwaliteit van de lucht die we inademen, zeker op warme dagen. Ze temperen de temperatuur, dragen bij aan een betere luchtvochtigheid en vangen voor een deel fijnstof weg. Naarmate steden groter worden, zal ook de betekenis van bomen toenemen. In het algemeen wordt hier weinig op ingespeeld, de ruimte voor bomen wordt alsmaar kleiner terwijl we in de toekomst juist grote bomen nodig hebben. (Schiedam, zicht op Pernis 1992)
 
Temperatuur asfalt -- Deze moeraseiken leveren niet alleen een fraai herfstbeeld op, maar houden in de zomer het asfalt en de stad relatief koel. (Veenendaal 2003)
 
Temperatuur -- Als de zomers extremer worden, kunnen bomen een belangrijke rol spelen om de hitte te bufferen en het klimaat zo aangenaam mogelijk te houden. Uiteraard kunnen we dat ook technisch regelen met energieverslindende airconditioning, maar het is de vraag of een collectief gebruik daarvan het mondiale milieu niet verder in een neerwaartse spiraal brengt. (Schiedam 1995)
 
Schaduw -- In de zomer zorgen bomen niet alleen voor een algemeen lagere gemiddelde stadstemperatuur, maar vooral pleksgewijs ook voor een aanzienlijke afkoeling door hun schaduwvorming en warmtebuffering. Voor dit doel werkt een boom vele male efficiënter dan een parasol op het terras. Het is wel zaak dat zulke plekken binnen loopafstand van de woningen liggen, willen de bewoners ervan kunnen profiteren.
--
Stadsecologisch
Stadsecologie is net zo'n ruim begrip als het begrip urban forestry. Het gaat om natuur, milieu en mensen; om duurzaamheid, gezondheid en welzijn. Dit betreft onder meer het microklimaat, het stadsklimaat en de luchtkwaliteit. Het globale verschil tussen stadsecologie en urban forestry is, dat de laatste sterk georiënteerd is op de groene kant van de stad en dat stadsecologie zich daarnaast ook bezig houdt met de grijze kant.
Vanuit de stad gezien zou men kunnen stellen dat urban forestry een onderdeel is van stadsecologie. Deze hele pagina en wellicht deze hele Cd-rom valt met een ruime opvatting zowel binnen urban forestry als binnen stadsecologie. Alle denkbare functies die aan bomen worden toegeschreven zijn ook voor de stadsecologie van betekenis. In de stad worden microklimaat, stadsklimaat en luchtkwaliteit meer met bomen in verband gebracht dan op het platteland. Geplaatst in het kader van welzijn, een factor die ook onder de stedelijke ecologie valt, zijn bomen van betekenis voor het psychologische en sociale welzijn. . Bomen spelen hierbij een crusiale rol.
 
Literatuur
Sukopp, H. & R. Wittig (eds.) (1998). Stadtoekologie: ein Fachbuch fuer Studium und Praxis. Fischer, Stuttgart, pp. 474.
Johnston , M. (1983). Urban trees and ecological approach to urban landscape design. Arboricultural Journal 7, 275-282.
Mao, L.S., Y. Gao & W.Q. Sun (1993). Influences of street tree systems on summer micro-climate and noise attenuation in Najing city, China . Arboricultural Journal 17 (3), 239-251.
McPherson, E.G. & J.R.Simpson ( 2002). Potential energy savings in buildings by an urban tree planting programme in California. Urban Forestry and Urban Greening 2, 73-86
Simpson, J.R. & E.G. McPherson (1996). Potential of tree shade for reducing residential energy use in California. Journal of Arboriculture 22 (1), 10-18.
Yang, J., J. McBride, J. Zhou and Z. Sun (2004). The urban forest in Beijing and its role in air pollution reduction. Ur ban Forestry & Urban Greening 3, 65-78.
Koning, E., & S.P. Tjallingii (1991). Ecologie van de stad, een verkenning. Platform Urban ecology, Den Haag, pp. 147.
Deelstra, T. (1991). Natuur in steden. Ministerie van Landbouw en Visserij. Directie Natuur, Milieu en Faunabeheer, Den Haag, pp. 215.
Fijnstof en bomen
Fijnstof is een verzamelnaam voor zeer kleine deeltjes die zich in de lucht bevinden. Uit onderzoek blijkt dat er een verband bestaat tussen concentraties fijnstof en gezondheidsklachten. Het betreft: aantasting van de luchtwegen, hart - en vaatziekten en vroegtijdige sterfte. Zoals vaak het geval is, zijn ook in dit geval kinderen en ouderen het meest kwetsbaar.
De belangrijkste verontreinigende stoffen zijn: stikstofdioxide (NO 2 ), koolstofdioxide (CO 2 ), ozon (O 3 ), koolwaterstoffen (HC) en koolmonoxide (CO), vluchtige organische stoffen (VOS). Fijnstof wordt uitgedrukt als PM10 en omvat alle deeltjes met een diameter van 10 µm (0,01 mm) of kleiner. PM10 bevat vele toxische verbindingen zoals zware metalen en organische verbindingen en is schadelijk voor de volksgezondheid. Daarnaast leiden stikstofdioxide en vluchtige organische stoffen uit uitlaatgassen onder invloed van zonlicht tot de vorming van ozon. De belangrijkste bron van deze verontreiniging is het verkeer.
Bomen kunnen een bijdrage leveren aan het zuiveren van de lucht van fijnstof, zoals duidelijk wordt uit het volgende voorbeeld. Een honderdjarige beuk neemt 150 m 2 aan oppervlakte in. Het loofoppervlak (de bladeren) ligt tussen de 1200 en de 1500 m 2. In een grote stad neemt dat bladoppervlak voortdurend 1,3 registerton stof op. Als het flink regent, verdwijnt dat stof weer door het riool, waarna de boomkroon opnieuw 1,3 registerton stof kan opnemen. Een hectare beukenbos in een stadspark of binnen een stedelijk gebied is goed voor het opnemen van enkele tientallen tonnen stof per regenbui. Een hectare linden is goed voor de absorptie van 169 kilogram stof per dag en voor 42 ton fijnstof per seizoen. Een honderdjarige beuk kan in een periode dat hij blad draagt 125.000 m 3 lucht zuiveren en per dag 200 liter water verdampen.

Een mens ademt, als hij zich normaal inspant, 12 m 3 lucht per dag door zijn longen en daarin zitten voor de stadsmens in ieder geval ook 20 mg stofdelen, nog afgezien van de vuiligheid van auto's en fabrieken. Bomen zijn nodig, hard nodig" (,

Overzicht houtige soorten om luchtkwaliteit te verbeteren

vermindering ozonniveau
Meest geschikt: Californische cypres, eenstijlige meidoorn, Europese lariks, Noorse esdoorn, ruwe berk, veldesdoorn, zwarte den, zwarte els.

Matig geschikt: appel, cypres, Engelse veldiep, gewone es, gewone esdoorn, gewone lijsterbes, gewone vlier, grijze els, hardbladige els, hazelaar, hulst, linde, sering, zoete kers.

Minder geschikt: Amerikaanse eik, kraakwilg, ratelpopulier, schietwilg, waterwilg, wintereik, zomereik.
 
Vermindering fijn stof
Geschikt tot zeer geschikt: beuk, Europese larix, fijnspar, grove den, gewone esdoorn, haagbeuk, kleinbladige linde, meelbes, Spaanse aak, vederesdoorn, vogelkers, zachte berk, zwarte els, zwarte den, zoete kers.
Matig tot minder geschikt: gewone es, schietwilg, zomereik, zwarte populier.
naar: Beckett et al. (1998, 2000, 2005); Donovan et al. (2005); Freer-Smith et al. (2005); bomennieuws lente 2006; Van hove (2006); De vries ( 2005).
 
Hoe functioneert het?
Voor alles wat je wilt vangen of opvangen --of het nu om kosmische straling gaat of om fijnstof-- is een structuur nodig. Bij bomen zijn dat de bladeren. Omdat die per boomsoort verschillend zijn, is ook de effectiviteit verschillend waarmee fijnstof en ozon door een boomsoort wordt opgenomen. In het algemeen zijn de oppervlakte, de microstructuur en de stand van de ontvangende structuur van belang bij het opvangen of vangen van partikeltjes (deeltjes).
Bij bomen betreft dat niet alleen de macrostructuur van het blad (de vorm), de dichtheid van het blad (het totale bladoppervlak per eenheid, bijv. m 2) en de bladstand, maar zijn het ook de microstructuur zoals de ruwheid (oppervlakte vergrotend), de beharing en zeer waarschijnlijk ook afscheidende klieren (bijv. klierharen die kleverige stof afscheiden), die een rol spelen.
Omdat naaldbomen een fijne, maar dichte bladstructuur hebben, werken naaldbomen effectiever in het opnemen van fijnstof dan loofbomen. Van de loofbomen en struiken zijn de soorten met smalle en gladde bladeren (o.a. schietwilg) minder effectief dan soorten met brede en harige bladeren (o.a. linde). Bomen met een open kroon (bijv. gewone es) hebben weer minder effect dan die met een gesloten kroon (bijv. schietwilg).
 
Kritische noot
Het onderzoek naar de betekenis van bomen voor het filteren van fijnstof en andere luchtvervuilende stoffen staat nog in de kinderschoenen. In het niet subtropische deel van Europa komen minstens een paar honderd soorten bomen (inclusief exoten) voor, die meer of minder geschikt zijn voor het filteren van fijnstof. Vrijwel alle bomen zullen optimaal functioneren als ze volgroeid zijn.
De vraag is of er tegen die tijd geen betere oplossingen of preventiemogelijkheden zijn voor het elimineren van fijnstof. Bomen moeten ook betekenis blijven hebben als de problematiek van fijnstof binnen 20 tot 50 jaar misschien niet meer bestaat. Het onderzoek moet zich daarom vooral richten op de soorten die in Nederland in stedelijke en industriële gebieden kunnen worden aangeplant en die zoveel mogelijk inheems zijn of passen binnen het concept duurzame stedenbouw.