CONDITIES VOOR STADSBOMEN (Annemiek van Loon)
Inleiding
De laatste dertig jaar is de wijze waarop stadsuitbreidingen worden uitgevoerd steeds grootschaliger. Van het oorspronkelijke landschap worden steeds vaker elementen met bomen gespaard om de nieuwe wijken van begin af aan een groen karakter te geven. Hiervoor is echter alleen in de grotere wijkparken of langs brede invalswegen de ruimte. In de woon -, werk - en winkelgebieden wordt zeer compact gebouwd en zijn de condities voor beplantingen zeer slecht. Bovengronds zijn er vele stressfactoren zoals o.a. strooizout, aanrijdschade en overmatige snoei.

Door ophogen of opspuiten met wit zand is de oorspronkelijke bodem ver buiten het bereik voor boomwortels. Daarnaast is er boven -, maar vooral ondergronds niet veel ruimte beschikbaar voor boomgroei. Steeds meer functies worden gestapeld om zo efficiënt mogelijk met de schaarse ruimte om te gaan. Parkeergarages, afvalcontainers en openbaar vervoer krijgen steeds vaker een plaats onder de grond naast de vele kabels en leidingen om alle huizen van de nodige gemakken te voorzien.

Toch is een stadsboom in de compacte stad zeer gewild omdat deze op maaiveldniveau slechts de ruimte van de stam in beslag neemt terwijl de kroon de hele omgeving een groen aanzien geeft. Om een stadsboom de vele functies te laten vervullen die deze in zich heeft moet worden voldaan aan enkele randvoorwaarden. Uiteraard moet bovengronds voldoende ruimte zijn voor de gewenste kroonontwikkeling. Kwalitatief goed doorwortelbare ruimte is daarentegen steeds meer een beperkende factor. Groeiplaatsinrichting is daarom een vereiste om een duurzame groei in verstedelijkte gebieden te garanderen. Zie voor al deze aspecten Van Loon (2003).

Stedelijke groeiplaats

Een goede groeiplaats is niet sterk verdicht. Een verdichting van 1,5-2 Mpa (Megapascal= indringingsweerstand in Newton/cm2) is ideaal voor wortelgroei. Vanaf 2,5 Mpa kunnen wortelmutsjes de grond niet meer indringen. Bij een sterke verdichting is in de bodem bovendien geen ruimte meer voor wateropslag en zuurstof. Wegenbouwers daarentegen streven voor de funderingen van wegen en andere verhardingen naar een verdichting groter dan 3 Mpa om verzakkingen onder de zware gebruiksdruk te voorkomen. Daarnaast wordt de toetreding van water en zuurstof door verharding bemoeilijkt.

Voor al deze knelpunten zijn oplossingen voor handen. Er zijn vele methoden om groeiplaatsen in te richten. Afhankelijk van de gebruiksdruk, de gewenste levensduur van de beplanting en de beschikbare ruimte kan een groeiplaats op maat worden ingericht. Bij alle methoden is er sprake van een dragende constructie om de bovengrondse druk op te vangen en wortelgroei veilig te stellen. Bij bomenzand wordt de dragende constructie gevormd door zandkorrels van gelijke grootte. Bij zwaardere belastingen kan de dragende constructie bestaan uit kunststof kratten, damwanden of betonnen elementen.

Afhankelijk van de situatie is een beluchtingsysteem, hemelwaterinfiltratie, drainage en toevoeging van organische stof nodig om de groei te optimaliseren. Een zichzelf regulerend systeem verdient de voorkeur. Op daken van parkeergarages kan, om de bomen voldoende water te garanderen, bijvoorbeeld gekozen worden tussen een schijngrondwaterspiegel of het aansluiten van de groeiplaatsen op de waterleiding met behulp van computergestuurde vochtsensoren. De laatste situatie is storingsgevoelig. Afsluiting van de waterleiding of een stroom - of computerstoring komen hier wel voor en wordt vaak pas opgemerkt als de bomen staan te verdrogen.

 

 
Vuistregels

Hoe natuurlijker de groeiplaatsinrichting, des te optimaler de groei en hoe lager de beheersinspanningen hoeven te zijn. Ruime ondergrondse groeiplaatsen waar dynamiek door vergraving en verdichting zoveel mogelijk wordt voorkomen, geeft de grootste garantie op een duurzame stadsboom.

Op de meeste oorspronkelijke, maar niet sterk verdichte, te arme, te zure of te natte minerale bodems en lichtere kleigronden kunnen de meeste bomen groeien.

Gebruik bomengrond wanneer de grond niet past bij de gewenste beplanting en er sprake is van een open grondsituatie. Vooral op plekken waar de bodem is opgespoten of opgehoogd met zeer schrale, humus en leemarme tot leemloze grond. Doormenging van de aanwezige grond is ook een optie. Voor het nieuwe mengsel gelden dan streefwaarden van 5% lutum en maximaal 8% humus.

Bij toepassingen onder verhardingen kan, afhankelijk van het bovengrondse ruimtegebruik, gekozen worden voor bomenzand, bomengranulaat of eventueel boomkratten of boombunkers.

Bij toepassingen onder verhardingen kan, afhankelijk van het bovengrondse ruimtegebruik, gekozen worden voor bomenzand, bomengranulaat of eventueel boomkratten of boombunkers.

Bij aanplant moet bodemverdichting worden voorkomen door niet door te werken met nat weer en de bodem niet te berijden met zwaar materieel. Ook stagnatie van water in plantgaten moet worden voorkomen.

De belangrijkste regel is echter, dat alle betrokkenen het belang van bomen moeten inzien. Dat betekent voortdurend communiceren en overleggen met alle belanghebbende partijen.

Literatuur
Balder, H., K. Ehlebracht & E. Mahler (1997). Strassenbäume: Planen, Pflanzen, Pflegen am Beispiel Berlin. Patzer, Berlin, pp. 240.
Bradshaw, A., B. Hunt & T. Walmsley (1995). Trees in the urban landscape: principles and practice. Spon, London, pp. 288.
Loon, van, A. (2003). Ruimte voor de stadsboom. Blauwdruk, Wageningen, pp. 127.
Prooijen, G.J. van (2002). Kwaliteitsrichtlijnen en besteksvoorwaarden boombeheer. Westervoort, N.O.C.B.
Prooijen, G.J. van (2004). Stadsbomen Vademecum 3A: Boomcontrole en onderzoek. Arnhem, IPC Groene Ruimte, pp. 208.